Blog

Ditjes en datjes...

Over hoe opvoeden vandaag òòk kan!

De emoties van kinderen: faits divers?

We leven in een cultuur waarbinnen het emotionele leven van kinderen – en daarmee vaak ook hun menselijkheid – stelselmatig wordt gebagatelliseerd. “Childism,” heet dit in het Engels.

 

Dit toont zich op vele verschillende manieren. Van de vele verzuchtingen over de “peuterpubertijd” (“ze zit gewoon in een lastige periode, is normaal op die leeftijd”) tot een kindertherapeute die het enthousiasme van kinderen vertaalt naar “wat een luid kindje!”

 

Van de dokters en artsen die de weerstand van kinderen tegen praktijken die vanuit hun leefwereld gewelddadig kunnen overkomen afdoen als “ze moeten toch niet altijd hun goesting krijgen?”

 

We doen het, telkens we – wanneer ons kind boos of gefrustreerd is – ons excuseren: “hij/zij is moe.” Of, en ik citeer nog eens een kindertherapeute: “kinderen vertellen maar wat blabla.”

 

We nemen het innerlijke leven van kinderen niet zo ernstig.

 

Ook het gevoel van mama's wordt continu afgedaan als “onbelangrijk” en zelfs “onnozel”.

 

Hoewel net de lichamen van moeder en kind en de gevoelsintensieve communicatie daartussen het particuliere en ingenieuze radarwerk vormen van de afstemming die nodig is voor een gezonde hechting en daarmee de opbouw van een gezond zenuwstelsel in kinderen.

Onze samenleving vindt die kindertaal, en dat moedergevoel, niet zo belangrijk. Misschien omdat het zo ingenieus is opgebouwd dat we het moeilijk kunnen vatten. Misschien omdat de kwetsbaarheid ervan ons ongemakkelijk doet voelen - immers, onze hedendaagse samenleving stoelt grotendeels op het pantser dat we rond onze kwetsbaarheid hebben opgebouwd.

 

Wanneer moeders instinctief en spontaan reageren op de signalen van hun baby's dan beschamen we hen al te vaak: “je kan toch echt niet loslaten hoor.” (Ze is nu 'àl' drie maand!?!) Of we boezemen hen angst in: “als je blijft reageren als ze huilt, wordt ze strontverwend!” Waarom blijven "experts" de kennis van moeders zo afbreken, wanneer deze de enige basis is om gezonde kinderen voort te brengen? Omdat we het niet zo prat hebben met lichamelijke weten?

 

 

 

Regelmatig wordt mij gevraagd om een lezing te geven over huilbaby's… Mensen die in een crèche werken krijgen vaak te maken met baby's die veelvuldig huilen.

 

Dan krijg ik ALTIJD het volgende verhaal te horen:

 

“Ja en er zijn mama's die bij hun kindje gaan slapen, of ze in de draagdoek dragen. Tja… Dat is vragen om problemen. Gelukkig gaat het bij een tweede kind al wat beter (en stoppen ze ermee).”

Vervolgd:

“Kinderen hebben sowieso een huiluur. We schrijven dan gewoon op wanneer dat is.”

 

Tientallen jaren weten we al – als gevolg van extensief en eenduidig onderzoek – dat baby's zichzelf niet kunnen reguleren. Dat huilen een vorm van communicatie is die een nood signaleert. Meer nog, we weten dat wanneer er niet op huilende baby's wordt gereageerd, dat een diepe 'shutdown' modus geactiveerd wordt. Het kind lijkt dan niet meer te huilen of geen misnoegen te vertonen, maar in realiteit gaan ze er al vanuit dat er toch niemand zal reageren. Of een vechtrespons wordt uitgelokt. Bij deze laatste neemt het huilen toe, hetgeen ik “huilen in het kwadraat” noem. Het kind huilt niet meer enkel om een nood vervuld te zien, maar tevens omdat hij of zij zich angstig voelt – “waarom komt er niemand?”) We weten dat opvoeding niet stopt wanneer een kind slaapt; dat kinderen al eeuwenlang ook 's nachts bij hun verzorgers aanwezig waren (niet omgekeerd) en dat in de slaap het lichaam van de ouder het lichaam van het kind bleef reguleren op een diep fysiek en basaal niveau. Samen slapen of een kind in een draagdoek dragen zijn niet “onnozel” of “onaangepast” in tegendeel. Hooguit zijn ze “onpraktisch” voor de instituties waarbinnen baby's al zeer vroeg moeten functioneren.

 

Onder het mom van “zelfregulatie aanleren” en “het is normaal dat kinderen 15 minuten huilen” ontnemen we hen dus de kans om zichzelf effectief te kunnen reguleren, dat wil zeggen, door middel van de aanwezigheid van primaire verzorgers hun zenuwstelsel rustig te kunnen krijgen, telkens weer, tot hun lichaam diep vanbinnen weet hoe het gaat.

 

Hoe anders zou het zijn, zouden we de communicatie van onze baby's au sérieux nemen. Zodat ze ook zichzelf kunnen vertrouwen en de signalen van hun lichaam. Zonder dat we het afdoen als “zomaar” of “onbelangrijk”. Dat duidt enkel op onze institutionele onmogelijkheid om baby's te bieden wat ze echt nodig hebben – nee, één onthaalmoeder kan dit niet doen voor 8 kinderen.

 

Wat als we het onderzoek zelf even au sérieux zouden nemen? Elke investering in échte regulatie van kinderen jonger dan 3 jaar is goud waard. Families die hierin investeren zullen aanzienlijk minder kampen met pedagogische problematieken (machtsstrijd in huis), psychologische problematieken (depressies, eetstoornissen, verslavingen bij kinderen) en zelfs stoornissen (ADHD? Autisme, …) bij hun kinderen (die vaak gerelateerd zijn aan een vroege storing in de zelf-regulatie die, precies omdat kinderen zo snel groeien en evolueren, zich algauw vertaalt in diepere persoonlijkheidskenmerken). Investeren in de eerste 3 jaar betekent vaak inkomensverlies. Niet iedereen kan zich dit veroorloven. Toch leidt dit er op de lange termijn toe dat er veel minder financiële investeringen nodig zijn om het gezin terug “on track” te krijgen.

 

Een investering die overigens ook maatschappelijk rendeert. Het is wanneer psychologisch ondervoede kinderen volwassen worden dat we de tekenen van disregulatie in de vorm van depressie, burnout, angst, enzovoort veelvuldig kunnen zien.

 

Tijd om te investeren in kinderen. Doen we dat niet, laat ons dan eerlijk wezen. Het gaat heus niet om “het welzijn van de kinderen” om hen op 3 maand af te zetten aan de crèchedeur – het gaat om onze maatschappelijke onwil om de economische rendabiliteit van mama's en papa's op te geven. Ook al heeft zelfs die economische rendabiliteit geen baat bij de huidige stresserende ervaringen die baby's, en hun ouders hebben, op de langere termijn. Het systeem houdt zichzelf draaiende, en onze discours zijn ermee verweven – hoe weinig ze ook geworteld zijn in de realiteit van de noden van het kind en de kennis die we intussen hebben over hoe hun zenuwstelsel wordt opgebouwd.