Blog

Ditjes en datjes...

Over hoe opvoeden vandaag òòk kan!

Het kind dat met bananen gooide...

Laatst was ik in een café. Er waren heel wat mensen aan het ontbijten. Er was ook een kind van zo'n jaar schat ik, met zijn ouders. Hij had twee plastieken banaantjes vast en gooide deze op de grond. 1 keer, 2 keer.

 

De mama zette haar kind in de hoek.

 

Het kind begreep zichtbaar niet wat hij “fout” had gedaan of waarom hij plots niet bij zijn mama mocht zijn.

 

Wat op zijn gezicht te lezen was, was schaamte. Niet schaamte omdat hij iets “mis had gedaan” (dat zou een begrijpen van de situatie veronderstellen), maar zuivere schaamte: schaamte om wie hij was.

 

Stel je voor dat deze jongen een dergelijke situatie meermaals zou meemaken, dan kan je je voorstellen dat de schaamte meer en meer geïnstalleerd geraakt in het zich ontluikende zelfbeeld van het kind.

 

 

Het kind kan zich beschaamd gaan voelen om wie hij is.

 

 

 Flickr Commons, Andrew Malone

Flickr Commons, Andrew Malone

 

Ik wil met deze post niet de ouders bestraffen. Ze keken elkaar aan van “wat moeten we nu doen”. Het leek alsof hen was verteld dat dit was wat ze nu eenmaal moesten doen.

 

Dit zijn elementen die ik vaak zie terugkeren bij opvoedingsproblemen:

1. onze verwachtingen naar kinderen toe zijn weinig evenredig aan wat redelijk is voor hun leeftijd

en, hieraan gerelateerd,

2. ouders zijn niet correct geïnformeerd en dit op grootschalige wijze. Dit is een verantwoordelijkheid van alle “experts” die ouders informeren op basis van “oude gewoontes” – niet op basis van recent onderzoek. We dragen ook allen een culturele verantwoordelijkheid: we leven in een cultuur die het buikgevoel van moeders en vaders (en kinderen die op hun beurt moeders en vaders worden) stelselmatig onderdrukt en zelfs beschaamd.

 

Zo weten ouders vaak niet dat een éénjarige een heleboel leert door spullen op de grond te gooien – op te rapen en weer op de grond te gooien. Meer nog, het is één van de speelschema's die kinderen op die leeftijd overal ter wereld steeds maar weer herhalen om te leren hoe de wereld in elkaar zit. Vele van deze speelschema's zijn cruciaal om de ontwikkeling van kinderen op normale en optimale wijze te laten verlopen.

 

Stoppen we deze schema's – meer nog – beschamen we kinderen om het herhalen van deze schema's – dan interfereren we met hun leren. Het jongetje van het verhaal hierboven zou kunnen denken dat er iets mis is met wat hij deed – maar wat hij deed was iets wat heel natuurlijk in zijn lichaam zit geprogrammeerd (vandaar dat de schaamte zo diep gaat). Hij zou stoppen met dit leerschema te herhalen. Later zou hem dan op schoolse wijze worden aangeleerd wat zijn lichaam intuïtief wilde leren.

 

Nu kan je denken: da's hetzelfde toch? 'What's the big deal?' Nu zijn beide vormen van leren zeer verschillend van elkaar. De eerste vorm van leren (de spontane vorm) engageert het lichaam: lichaam en geest werken samen – dan nog eens passend bij een ontwikkelingssprong – om voor een kind optimaal leren mogelijk te maken. De tweede, schoolse vorm van leren engageert meer eenzijdig de hersenen van kinderen. We ontnemen kinderen met andere woorden hun oorspronkelijke “drive” tot leren -vaak door straffen en belonen- en voelen ons nadien genoodzaakt om hen -met druk van straffen en belonen– opnieuw dezelfde thema's aan te leren, zij het op meer artificiële wijze.

 

Intussen weten we hoe veel “ontwikkelingsstoornissen” precies te maken hebben met dit onderscheid. Bij autisme bijvoorbeeld is het probleem dat vele schema's die automatisch ingeoefend worden door baby's en kinderen dankzij een trage maar stelselmatige coördinatie tussen brein en lichaam niet voldoende aanwezig zijn. Het kind kan het ontbreken van de schema's trachten te compenseren, vaak met de ratio. Of opvoeders zetten met man en macht in op het alsnog aanleren van “regeltjes”. De uitvoering daarvan blijft dan een artificiële of afstandelijke “feel” hebben omdat het lichaam niet mee werd genomen in het leerproces. Lees: je kan een kind zo veel gedragsformules voor de sociale omgang aanleren als je wilt, wanneer de “aansturing” niet van binnen in komt (van in het lichaamsschema en de motivatie die van daar vertrekt zélf) zal je dit ook ervaren. Voor autisme wordt dan ook meer en meer een behandeling aangereikt waarbij kinderen opnieuw de schema's die horen bij de normale ontwikkeling van een kind traag en met aandacht doorlopen, zoals bijvoorbeeld het gooien van dingen, het traag de voetjes naar de mond brengen... 

 

Ik wil hiermee natuurlijk niet zeggen dat de jongen die ik zag in het café een ontwikkelingsstoornis zal oplopen. Ook ben ik me er van bewust hoe complex de oorzaken zijn die schuilen achter bijvoorbeeld autisme. Wel lijkt het alsof we als cultuur vergeten zijn hoe kinderen zich natuurlijk ontwikkelen. Wat kinderen echt nodig hebben is – uiteindelijk – liefde, waardering, en een vrijelijk kunnen exploreren van de wereld. Hierbij hoort nu eenmaal met dingen gooien, dingen in je mond stoppen, rollebollen, enzovoort. De gevoelige ouder die zijn eigen buikgevoel durft vertrouwen kan echt wel het onderscheid maken tussen een onschuldig in de lucht gooien van twee bananen of een meer destructief “alles in het rond gooien” van een peuter die andere en diepere emotionele noden kenbaar maakt. Het bestraffen van het eerste leidt tot niets behalve tot een diepgewortelde schaamte bij het kind en soms ook tot motorische achterstanden die – al willen we het graag geloven – niet louter cognitief kunnen worden ingehaald. We beseffen ook niet langer dat we ze zelf in de hand werken.

 

Met andere woorden – en zoals eigenlijk vaak de pointe is van mijn verhaal – we veroorzaken zelf nog het meeste de problemen die we zien in onze kinderen. Vaak worden ze dan nogmaals gestraft, eens ze een achterstand hebben opgelopen. Dan kampen ze met onze irritatie en ons ongeduld.

 

Met deze blog ijver ik voor een publieke ruimte waarin kinderen kind kunnen zijn – al naargelang hun leeftijd. Een publieke ruimte waarin ouders niet continu voelen dat hun kind “te veel” is voor de anderen. Waarin ze niet ten pas en ten onpas een verwachting voelen dat ze hun kind moeten straffen voor gedrag dat niet "stout" is (waarom bestààt dat woord zelfs nog?) maar totaal gepast en zelfs uiterst pienter is. Ik ijver voor een informatieve ruimte die vertrekt vanuit hetgeen we intussen weten over de nefaste gevolgen van belonen en straffen.