Blog

Ditjes en datjes...

Over hoe opvoeden vandaag òòk kan!

Als je één woord uit je vocabulaire schrapt, laat het dan dit zijn…

Op café vang ik toevallig een glimp op van een gesprek tussen een moeder en haar tienerdochter. De dochter blijkt niet te zijn geslaagd voor een examen. De moeder praat: "maar er waren vast nog studenten niet geslaagd. Je hebt nog een kans. Deze zomer... ..." De ogen van de dochter zitten vol tranen. Naarmate de moeder meer praat, beweegt de dochter van haar weg. Ze is druk bezig met het onderdrukken van haar tranen. Ze verliest de verbinding, niet alleen met haar mama, maar ook met zichzelf en met haar lichaam. Ze vecht tegen haar lichaam dat de spanning wilt uithuilen. De spanning zet zich op haar schouders.

 

...MAAR…

 

 

We gebruiken het woord zo vaak. Toch, wanneer we dat doen, om welke (vaak goede) reden dan ook, zitten we als ouder op een ander spoor dan ons kind. Ons kind voelt zich hierbij niet begrepen en eenzaam.

 

 Flickr Commons, Zeitfaenger.at

Flickr Commons, Zeitfaenger.at

 

“Ik vind dit eng”

Maar dat is toch niet zo erg?”

 

 

of

 

 

“Ik wil niet dat je vertrekt”

Maar ik moet nu éénmaal werken”

 

 

 

Hoe anders zou het voor je kind voelen om het volgende te horen?

 

 

“Ik vind dit eng”

“Je vindt dit eng. Wil je me er meer over vertellen?”

 

of

 

“Je wilt niet dat ik vertrek hé.”

 

 

 

Wanneer kinderen sterke emoties ervaren, dan gebruiken we het woordje “maar” maar al te gauw. Met de beste bedoeling van de wereld: we willen een ander perspectief aanreiken, één waar ons kind niet bezorgd of angstig of boos of wat dan ook hoeft te zijn. Hoe we het nu draaien of keren, ons kind is bezorgd of angstig of boos. Een kind dat voelt dat een ander perspectief van buitenaf wordt opgedrongen zal zich hiertegen gaan verzetten (en zich nòg bezorgder, angstiger of bozer gaan voelen). Hij gaat extra "afpoetsen", uitdagen misschien, want hij voelt dat je als ouder niet "in de leiding bent." Hij ervaart dat je zijn sterke emotie niet kan reguleren. Daardoor voelt hij zich onveilig. 

Een kind dat beluisterd werd in zijn of haar emoties, krijgt echter de kans om te ervaren dat de emotie vanzelf op-lost. Het kind krijgt de kans om zelf met de emotie in beweging te komen. 

 

 

Drie stukjes brein

 

Ouders die voor het eerst experimenteren met onvoorwaardelijk ouderschap ervaren ook wel eens de volgende valkuil. Ze vertellen me: “ik luister toch naar zijn/haar emotie?” Wat ze aan hun kind vroegen was: “wat is er dan?”

 

De reden waarom kinderen hier vaak sterk tegen reageren is tweevoudig.

 

Enerzijds hoor je in “wat is er?” een subtiele druk om iets aan de ervaring van je kind te gaan doen. Je wilt als ouder iets oplossen. Iets wat “niet hoort”. (Weet je nog dat gesprek dat je laatst had met je partner? Waar hij of zij meteen kwam met oplossingen en jij gewoon even gehoord wou worden?)

 

Nog meer cruciaal:

 

Ons brein bestaat uit drie “zones”. Er zijn:

* het reptielenbrein. Pasgeboren baby's opereren vanuit dit deel van het brein. Het is verantwoordelijk voor alle functies die te maken hebben met overleven (ademen, spijsvertering, slapen, honger, lichaamstemperatuur, …) Het is in verbinding met een verzorger dat baby's hun lichaamsfuncties gaandeweg zelf kunnen reguleren.

* het limbische brein. Dit is de “thuishaven” van kinderen tussen de 1 en 5 jaar. Dit deel van het brein heeft alles te maken met emoties. Iets wat we in onze samenleving vaak vergeten is dat dit deel van het brein bij jonge kinderen in ontwikkeling is. (Dit wilt zeggen dat we als ouders ook instaan voor de regulatie van de emoties van ons kind. Nee, kinderen verwerken niet op hun ééntje alle intense ervaringen die ze een hele dag lang opdoen.)

* de prefrontale cortex is de laatste zone van het brein die tot ontwikkeling komt. De ontwikkeling van dit deel van het brein piekt bij kinderen van 5 jaar, 11 jaar en 15 jaar. Dit deel van het brein heeft alles te maken met redeneren.

 

Het zal dan ook niet verbazen dat jonge kinderen die sterke emoties ervaren nauwelijks tot niet reageren op redeneringen, verhalen of, zelfs, de vraag om uit te leggen “wat er is”. De capaciteit om de sterke emotie te ver-talen is nog onvoldoende ontwikkeld.

 

Dit wil niet zeggen dat je niet met je kind kan praten over wat het ervaart. Wat het wel wilt zeggen is dat het van cruciaal belang is dat je kind zich eerst gehoord voelt. “Maar” vertelt eigenlijk van bij het begin: “je hoort het anders te zien.”

 

 

 

Ik hou van je, maar...”

 

Er is overigens nog een reden waarom ik maar liever schrap uit mijn vocabularium. “Ik hou van je maar je moet nu wel je kamer opruimen”. In één of andere vorm geven we deze boodschap ook zo vaak mee met onze kinderen. Hoe anders zou deze boodschap voelen wanneer kinderen zouden horen: “ik hou van jou én ik wil graag dat je je kamer opruimt.”

 

Om al deze redenen laat ik “maar” eigenlijk wat links liggen thuis. Zoek ik toch een verbindend woordje, dan liever “én”!