Blog

Ditjes en datjes...

Over hoe opvoeden vandaag òòk kan!

“Je kan dat toch al zelf?”

 

Ik stel me wel eens de vraag waarom we er in onze cultuur zoveel nadruk op leggen dat onze kinderen dingen “zelf” doen. Het kan niet snel genoeg gaan. Van het moment dat we weten dat onze kinderen iets kunnen, lijkt het of ze het recht verliezen om gewoon gezellig dingen samen te doen. Zeker, we hoeven als ouders niet constant met onze kinderen bezig te zijn. Maar is de klemtoon die we leggen op “zelf doen” wel zo neutraal? Wel zo belangrijk? Wel zo gezond?

 

 Flickr Commons, Saw Htoo

Flickr Commons, Saw Htoo

 

Stel je nu eens voor…

 

Je wilt iets gaan drinken met je partner, met een vriend of vriendin. Die zegt doodleuk: “je kan dat toch zelf?”

Dat is ongetwijfeld waar. Je gaat ook misschien wel eens iets alleen drinken. Voor jou, echter, zit de lol hem erin om samen met je partner, of een vriend of vriendin, iets te gaan drinken. Vandaar de vraag.

 

Op de glijbaan klimmen, tekenen, knutselen, eten, … Het zijn de activiteiten waarmee kinderen hun dag vullen. Ja ze kunnen deze allicht allemaal zelf. Toch is het niet onlogisch dat ze dit ook samen met ons willen doen.

 

De hechting van kinderen aan hun ouders is geen “alles of niets van bij de geboorte” verhaal. Hechting is een dynamisch proces van verdieping. Dit betekent dat gezond gehechte kinderen op zoek gaan naar steeds diepere niveaus van samen-zijn met hun hechtingsfiguren. Bij jonge baby's is lichaamscontact van fundamenteel belang om een gezonde hechting op te starten. Op deze leeftijd is het zo fijn om je kind te volgen, zijn of haar noden te eren. Er te zijn, wat dan ook.

 

Rond de leeftijd van 2,5 jaar zal een kind – wanneer de basishechting veilig is – ernaar streven om dingen hetzelfde te doen als zijn of haar ouders, meer nog, om hetzelfde te zijn. Plots wordt het belangrijk om dezelfde kleur schoenen aan te hebben, om op dezelfde manier te drinken, om op dezelfde manier een penseel vast te houden, om samen op de speeltuin te gaan.

 

Een constant afbreuk doen aan deze wens van kinderen onder het motto “je kan het zelf” vormt uiteindelijk een obstakel voor dit stadium van verdieping dat oh zo belangrijk is voor de hechting van een kind. De basis van alle zelfstandigheid ligt in een gezonde hechting van het kind met zijn of haar primaire hechtingsfiguren, en heeft niets te maken met of we als ouders ons kind wel vaak genoeg tot zelfstandigheid motiveren (duwen) - wel integendeel. Vaak zijn we als ouders bezorgd: “Zal mijn kind wel alleen kunnen spelen? Ze lijkt zo afhankelijk!” of “Oei, mijn kind domineert het spel dat we spelen. Er is iets mis!”

 

Pauzeer even. Kijk. Is dat wel zo?

Speelt je kind nooit meer alleen? Of heb je het er als ouder moeilijk mee wanneer je kind aangeeft met jou te willen spelen? Voel je je angstig, bekeken, veroordeeld? Gaat je reactie eigenlijk stiekem om jou – je angst – of gaat het werkelijk om je kind? Heeft je kind er werkelijk geen baat bij nu dat je met hem of haar speelt? Gezond gehechte kinderen spelen graag samen én alleen. Telkens accentueren dat ze “iets alleen kunnen” duwt hen dan eigenlijk een stukje weg waar zij net op zoek zijn naar een meer intense beleving van de ouder-kind relatie. (Soms, wanneer een kind hulp vraagt terwijl hij of zij al iets kan, wilt het kind zich vaak verzekeren van het volgende: word ik nog gedragen door jou? Kan ik op jou steunen?)

 

Domineert je kind het spel of is hij er naar op zoek om samen iets te doen? Je kan het tijdens het spel bekijken. Geef zelf eens input en kijk hoe je kind reageert. Misschien is je kind niet op zoek naar domineren; wel naar iets hetzelfde doen.

 

Dit wilt overigens niet zeggen dat je altijd met je kind moet spelen. Het is zeker ok om ervoor te kiezen dit niet godganse dagen lang te doen. Vertel je kind eerlijk dat je nu geen zin hebt. Heel vaak gaan we ons kind "belonen" ("Jij kan dat toch al? Zo flink!") omdat we niet eerlijk durven toegeven dàt we gewoon geen zin hebben. Helaas halen we op die manier ook het hechtingsinstinct van ons kind onderuit. Autonomie wordt zo belangrijk dat het gelijkwaardige streven naar verbondenheid een stille dood sterft. De gevolgen hiervan worden steeds meer zichtbaar in onze cultuur. Een kind heeft dan immers geleerd dat het enkel goed is of althans beter is als het dingen alleen doet. Het gaat schaamte voelen bij zijn nood aan verbondenheid. Gewoon zeggen dat je geen zin hebt daarentegen laat de waarde van de behoefte van je kind tot verbondenheid intact.

 

Wat ik hier wil aankaarten is het onuitgesproken paradigma “o nee, mijn kind moet dit zelf kunnen”. Ons kind voelt mee vanwaar onze "nee" komt. Is het een wegduwen omdat we ons oncomfortabel/angstig voelen? Of is het een "heldere nee" omdat we op dat moment met iets anders bezig zijn? De nadruk op autonomie is zo alomtegenwoordig in onze cultuur dat we vaak onmiddellijk een (bijna paniek-)reactie hebben wanneer ons kind iets samen wilt doen. Dit zegt meer over een angst die we als volwassenen hebben in een cultuur die geobsedeerd is door autonomie en zegt minder over de eigenlijke noden van onze kinderen. Ja, autonomie is belangrijk. Verbondenheid is dat ook. (Het is allicht niet toevallig dat deze periode van streven naar gelijkheid samenvalt met een periode van streven naar meer autonomie - iets waar de peutertijd meer bekend om staat). Het gaat er telkens om, om als ouder te schipperen op dat smalle koord – om te kijken wat er werkelijk leeft in je kind op het moment dat het iets vraagt. Om even te wachten met snelle conclusies trekken.

 

Het gaat er telkens om, om als ouder te schipperen op dat smalle koord – om te kijken wat er werkelijk leeft in je kind op het moment dat het iets vraagt. Om even te wachten met snelle conclusies trekken.

 

Hetzelfde willen doen als primaire hechtingsfiguren is zo'n belangrijke bouwsteen voor de hele verdere opvoeding van onze kinderen. Voor je het weet is je kind alweer geïnteresseerd in een ander niveau van jullie relatie: het stadium van loyaliteit of thuis-horen. Daarvoor is het nodig dat je kind het stadium van “hetzelfde zijn” ook ten volle heeft kunnen ervaren en beleven. We trekken zo vaak conclusies over “het hele verdere leven van ons kind” (“hij zal zo afhankelijk zijn”) terwijl wat we eigenlijk voor ons zien, een gezonde uiting is van een ontwikkelingsproces. Een proces dat een kind doorloopt waarbij het steeds andere dingen leert, en op een andere manier met jou omgaat als ouder.

 

Karen De Looze is opvoedingscoach bij Opvoeden Vanuit Verbinding. Hulp nodig met één of ander? Contacteer me gerust!