Blog

Ditjes en datjes...

Over hoe opvoeden vandaag òòk kan!

5 keer meer positieve interacties...?

De 1 op 5 ratio gaat al even mee. Voor elke relatie zou gelden dat wanneer er vijf maal meer positieve interacties zijn dan negatieve, een relatie deze negatieve stormen (waarschijnlijk) trotseert. Dit vond Dr. Gottman wanneer hij onderzoek deed bij koppels.

 

Deze ratio wordt algauw genoemd wanneer ouders een appèl doen op hulp om de relatie met hun kinderen (weer) op de rails te krijgen. Ik vind deze tip relevant voor ouders. Anderzijds vraagt zo'n transfer naar de relatie van ouders met hun kinderen wel enig bijsturen.

 

 

Bijsturen? Hoezo?

 

Wie mijn blog wel vaker leest weet dat één van de zaken die ik ontzettend belangrijk vind wanneer we het hebben over opvoeding is, dat kinderen niet alleen hun eigenheid hebben (en dus een integere behandeling verdienen), ze zijn ook groeiende. Hun zelfbeeld of persona is nog helemaal in de maak.

 

Een negatieve interactie met een ouder kan dat zelfbeeld van een kind gaan beïnvloeden op een manier die zowel voor de ouder als voor het kind nefast is. Als we dan even kijken hoe een kind reageert wanneer er vijf positieve interacties volgen, dan is het vaak zo dat het kind tòch aan de connotaties van de negatieve interactie vasthoudt. Dat is niet zo gek. Want een kind haalde uit zo'n situatie informatie over wie hij of zij is. Vaak heeft een kind nog niet de capaciteit ontwikkeld om verschillende zelfbeelden die tegenstrijdig zijn met elkaar gelijktijdig toe te laten in het bewustzijn. Het kind stelt de informatie die binnenkomt tijdens zo'n negatieve interactie dan ook minder tot niet (afhankelijk van de leeftijd) in vraag – en gaat de “misrepresentatie” dan ook zelden actief herstellen.

 

 

Wat dan wel?

 

Stel dat een kind na een interactie met een ouder is gaan geloven dat het gevaarlijk is om boos te worden (misschien volgde er een time-out of werd het kind uitgelachen of genegeerd). Dat kind heeft dan niet enkel baat bij 5 (of hé, veel meer!) positieve interacties die daarop volgen. Om de negatieve interactie teniet te doen, is het voor een kind eigenlijk nodig dat er positieve interacties volgen die specifiek de link die het kind heeft gelegd tussen boos worden en veiligheid gaan doorbreken. Met andere woorden, er dienen interacties te volgen die het kind toelaten te ervaren dat het veilig is om boos te worden (Dat kan een hele klus zijn, want een kind dat heeft geleerd dat het gevaarlijk is om boos te worden zal zijn of haar boosheid niet te gauw meer kenbaar maken, als het enigszins kan).

 Flickr Commons, Gerry Thomasen

Flickr Commons, Gerry Thomasen

 

Het kind zal dan allicht een (impliciet) beeld vormen dat boos worden soms veilig is en soms niet.

 

Als je als ouder nu van de overtuiging bent dat het ok is voor je kind om al zijn of haar emoties te ervaren en te benoemen, en je hebt onverwacht toch gereageerd met een sterk signaal van afkeuren, dan is het daarom belangrijk om precies ook met je kind de negatieve interactie te gaan bekijken en verwerken. Door deze te deconstrueren met je kind creëer je de ruimte voor je kind om die ervaring te kaderen in een breder geheel. Zo kan het kind omgaan met de spannende vraag: “is boos worden nu wel of niet veilig?”

 

 

(Het spreekt voor zich dat je je kind kan begeleiden in hoe het omgaat met het gevoel van boosheid en hoe hij of zij er op een constructieve manier uitdrukking aan kan geven – maar dat is stof voor een volgende keer!)

 

 

Karen De Looze is opvoedingscoach bij Opvoeden Vanuit Verbinding. Contacteer Karen.