Blog

Ditjes en datjes...

Over hoe opvoeden vandaag òòk kan!

Autonomieversterkend communiceren met kinderen

Eerder publiceerde ik een artikel “vijf gangbare zinnen die ik thuis vermijd”. Het mindere nieuws? Er zijn wel meer gangbare uitspraken die ik minder geschikt vind voor gebruik in een opvoedingscontext. Het goede nieuws? Er zijn even zoveel alternatieven die bijdragen aan een hechte relatie met je kinderen!

 

1. “Kijk eens hoe flink dat meisje is”; “zij kan dat wel al!”

Waarom niet?

We kiezen partij voor een (vaak ongekende) ander, ten koste van de relatie met de eigen zoon of dochter. Het gevolg van deze uitspraak is dat het kind waar we op dat moment voor zorgen zich niet goed genoeg voelt; zich tekort voelt schieten in vergelijking met die ander. Al doende beschamen we ons kind. Meer nog, we implementeren ook een mindset van vergelijken met de ander om het eigen zelfbeeld te reguleren. Dit heeft zo zin eigen nadelige gevolgen.

Meer algemeen ben ik waakzaam voor al die situaties waarin ik mijn kind zou gaan “beschamen” in de opvoeding. Voorbeelden zijn talrijk in onze samenleving: “huil eens niet, je bent toch geen baby meer?” of “weet jij dat nog niet?!?”, “jij kan dat toch al zelf?”, “hé zaagje/prutsertje/…” Beschamen kan dan wel “snel werken”, jij als verzorger én je kind betalen er een hoge prijs voor.

Alternatief:

“Wat jij nu voelt is het enige wat jij op dit moment kan voelen. Ik verwelkom jou en alles wat momenteel in je omgaat. Ik kan jouw emotie ontvangen, hoe sterk ook, en ik kan je begeleiden dor de storm heen. Ik ben er voor je, zodat jij er ook voor jezelf kan zijn.”

 

2. “Dat mag (niet)”

Waarom niet?

Hierbij geven we impliciet ook het volgende mee aan onze kinderen:

  • “Van wie dan?”

  • “van mij”

  • “Waarom dan?”

  • “omdat ik het zeg”

Uit deze zinnen blijkt dat wij bepalen wat een kind hoort te doen of niet, zonder dat we hiervoor een goede reden hebben. We ontnemen kinderen hierbij hun autonomie. Vaak gaan kinderen na verloop van tijd vragen – ook wanneer er helemaal geen reden voor is - “mag ik (dit of dat)”? Hun handelen is afhankelijk gemaakt van een autoriteitsfiguur.

Alternatief:

Natuurlijk kunnen we grenzen aangeven aan onze kinderen, bezorgdheden uiten, hen aanmanen om met bepaalde dingen rekening te houden, hun leiding geven en structuur aanbieden.

Maar hoeveel eerlijker is het niet dit aan te bieden vanuit jezelf:

“Wanneer je rondzwaait met glas ben ik bezorgd dat je je pijn zal doen. Zullen we het samen vasthouden?”

“Ik vind het heerlijk te zien hoe je geniet van deze activiteit”.

Wanneer we vanuit onszelf spreken wanneer we grenzen aangeven en tegelijk de impulsen van waaruit een kind handelt vrij ontvangen, leert een kind rekening te houden met zichzelf én anderen. De autonomie van het kind wordt in ere gelaten. Wél wordt bij het concrete uitdrukken daarvan gezocht naar een manier die rekening houdt met de context waarbinnen het kind zich begeeft. Is de context in overeenstemming met de acties van het kind dan hoeft er niet gezegd worden dat iets “mag”. Ook dit laatste prent een kader in dat stoelt op een dualiteit tussen “mogen” en “niet mogen”.

 

3. “Braaf zijn hé” of “zie dat ik geen klachten hoor”

Waarom niet:

Een kind zal twee keer nadenken vooraleer hij of zij iets vertelt dat “niet ok was”; waar het zich niet goed bij voelde. Hij of zij zal vooral willen aangeven dat alles probleemloos verliep. Als ouder kiezen we nog voor er iets fout loopt de kant voor een andere verzorger boven ons kind. En toch zijn er contexten waarbinnen een verzorger de grenzen van een kind niet respecteert. Seksueel misbruik is hiervan een voorbeeld. Misschien voelt een kind zich om een andere reden niet goed bij de verzorger en durft het dit niet zeggen. Of was er een andere situatie waar het kind best wat ondersteuning bij kon gebruiken dat het niet durft delen met de ouders.

Alternatief:

Voor de activiteit: “Wat er ook gebeurt, ik ben er voor je. Als er iets is dan hoor ik het graag, dan zoeken we samen naar een oplossing. Ik kan ook je sterke emoties ontvangen.”

Na de activiteit: “Hoe was het voor je om bij … te zijn? Wat hebben jullie gedaan? Wat vond je leuk en wat vond je minder leuk?”

 

4. “Wat ben jij stout!”

Waarom niet:

In mijn ervaring zijn kinderen nooit “stout”. Zeker, ze kunnen uitdrukking geven aan hun innerlijke beleving op een manier die onhandig is of misschien zelfs sociaal ongepast. Kinderen zijn groeiende wezens en hebben de steun nodig van hun omgeving om met overweldigende emoties te leren omgaan en om culturele vaardigheden en normen te leren kennen.

Alternatief:

“Ik zie dat je gefrustreerd bent. Ik wil graag met jou bekijken wat er gaande is voor jou en wat jij op dit moment nodig hebt.”

Later: “Kunnen we samen bekijken hoe je me kan vertellen dat je iets dwars zit?”

 

5. “’t Is niet zo erg” of "shhh"

Waarom niet:

Mensen, en dus ook kinderen, hebben hun eigen redenen om iets “erg” te vinden of niet. Vaak hangt dit samen met andere zaken die op dat moment voor een kind niet “juist” aanvoelen of uit evenwicht lijken. Iets wat klein lijkt kan de druppel zijn die de emmer doet overlopen. Bovendien is de leefwereld van kinderen fundamenteel verschillend van volwassenen. Wat we als volwassene evident vinden is dat vaak niet voor een kind. Een kind kan diepere bezorgdheden hebben bij iets wat hem of haar overstuur maakt die we op het eerste zicht niet vatten. Stel je voor dat je een verhaal vertelt aan de persoon die dichtst bij je staat; een verhaal dat je diep raakt. We voelen ons vaak miskend wanneer die persoon “het is niet zo erg” biedt als antwoord.

Het is een hele uitdaging voor ouders om de emoties en pijn van kinderen te ontvangen; om deze niet te miskennen, én om tegelijk ook het kind niet in een slachtofferrol te duwen die het kracht en weerbaarheid ontneemt (dit kan reeds een gevolg zijn van het gebruik van verkleinwoordjes bijvoorbeeld). Het gevolg hiervan kan zijn dat een kind zich actief zal gaan identificeren als slachtoffer.

Alternatief:

“Ik zie dat je heel erg droevig bent op dit moment. Kan ik er zijn voor je?”

 

Als ouder kan je zelf gaan spelen met je taal. Welk effect zou deze uitspraak kunnen hebben op mijn kind? Welk (zelf-)beeld creëer ik hierbij voor mijn kind? Met deze vragen in het achterhoofd gaan jullie alvast samen op onderzoek. Opvoeden is een leerproces. Niet enkel voor de kinderen maar voor iedereen!