Blog

Ditjes en datjes...

Over hoe opvoeden vandaag òòk kan!

5 zinnen die ik vermijd in huis en waarom (+ alternatieven)

1. “Ik moet naar het werk”

Alternatief:  “Ik wil graag nog een tekst afwerken vandaag” of “Ik ga naar een vergadering vandaag. Ik wil nog een paar mensen zien om te overleggen over een project waar ik mee bezig ben.”

Waarom? Ik wil mijn dochter duidelijk maken dat ze zelf eigenaar is van haar leven en hoe ze haar tijd besteedt. Bij alles wat we “moeten” is er wel een onderliggend motief te vinden dat eigenlijk “het onze” is. Ook al doe je je werk écht niet graag, dan kan dit (positieve) motief bijvoorbeeld zijn dat je voor jezelf en je familieleden wilt zorgen, of dat je een rol wilt opnemen in de samenleving. Ik wil mijn dochter meegeven dat ze er plezier aan kan beleven wanneer ze dingen doet die we in onze samenleving “werk” noemen, òòk wanneer het werk inhoudelijk zeer uitdagend of zelfs saai is. Je kiest om de activiteit te doen, en als dat niet zo is, kies je (soms impliciet) voor het onderliggende motief.

Hiertoe ban ik niet enkel “moeten” uit mijn vocabularium, maar ook het woordje “werk”. “Werk” heeft voor vele kinderen een heel negatieve connotatie. Kinderen horen zeer vaak dat mama en papa nog “moeten werken” wanneer ze eigenlijk liever bij hen zouden zijn. Het wordt dan ook vaak als “excuus” gebruikt, weten kinderen. Wanneer ze mee helpen kuisen speelt een toevallige passant hen algauw toe (met de nodige afkeer in de stem) “moet jij hier al zo hard werken?” Een grapje allicht, maar de link is toch gelegd; al die dingen die zoon- of dochterlief eigenlijk graag doet om te helpen in huis, om bij te dragen, kaderen we algauw voor zoon of dochter als iets wat niet leuk is. En dat noemen we dan “werk”. Zo zijn we er zelf vaak mede oorzaak van dat onze kinderen later uitgebreid zullen weigeren om mee te helpen in het huishouden. We hebben hen immers klaar en duidelijk verkocht dat het niet anders is dan vervelend. Hoe anders zou het zijn te zeggen “we maken het huis weer netjes, wat leuk om zo voor onszelf te zorgen!”

 

2. “Waw, kan jij dat al!?!”

Alternatief: “Ik zag je net … doen. Ik geniet ervan te zien hoe je nieuwe dingen ontdekt!”

Waarom? “Waw, kan jij dat al?!?” Dé zin die we zo vaak tegen kinderen zeggen en die hen heel wat schade berokkent. Hij bevat een impliciete beloning; het kind krijgt het gevoel dat het nu beter is dan vroeger, en... beter dan al wie dit “iets” nog niet kan. Exploreren krijgt een element van “dwang”, het kind wilt “flink” gevonden worden; de beloning nog eens krijgen. Bovendien, zo gauw dat één kind de zin te horen krijgt zal een ander kind dat ook aanwezig is, willen kunnen wat het ander kind doet. Niet omdat het er zin in heeft of intrinsiek de exploratie wilt aangaan (wat het zou doen als het een ander kind iets zou zien doen dat hem of haar “aanspreekt”), maar omdat het dezelfde beloning wilt krijgen. Kinderen leren op die manier minder begrip op te brengen voor de stadia van groei die iedereen doormaakt, meer nog, voor een eigen ritme. Het kleine broertje of zusje wordt “minder” want hij of zij “kan dat nog niet”. Groeien wordt presteren. Je hoort het kleuters en peuters tegen elkaar zeggen met een onderliggende onzekerheid: “Ik kan dat al!” (dus vindt me aub “goed”) of “die kan dat nog niet!” (kijk, ik wel, ik ben wel “ok”). Kinderen vergelijken en zijn daarbij hard voor elkaar. Wat we vaak uit het oog verliezen is dat we als ouders daarvoor de zaadjes hebben geplant.

 

3. “Wat is je favoriete ….?”

Alternatief: “Wat een bijzondere … (spullen, kleuren, vrienden, …). Ze zijn allemaal anders en elk zo fijn! Zullen we eens ontdekken wat we er allemaal mee kunnen doen?”

Waarom? We vragen het dikwijls aan een één of twee jarige – die blij is met zo veel dingen -: “Wat is nu jouw favoriete … (auto, knuffel, vriendje, ...)?” Wie goed kijkt merkt hoe een kind dat deze vraag nog niet eerder heeft gehoord perplex staat. Het kind moet heel hard nadenken. Niet gek, want de vraag houdt geen steek; alles is immers leuk! De vraag wordt herhaald en het kind doet zijn of haar best om te kiezen. We vragen onze kinderen om vanuit een poel van vele dingen die leuk zijn, die elk een eigenheid hebben, één ding uit te kiezen dat “best” is. Dat “hét” ding is. Het verengt hun beeld van de wereld: “deze is leuk en de rest niet!” “Kinderen zijn zo kieskeurig en materialistisch vandaag”, hoor ik wel eens. Het kan nuttig zijn stil te staan bij hoe we deze houding in onze kinderen inprenten. Dan zwijg ik nog over het effect van media en speelgoed. Zo horen kinderen minder en minder over een diversiteit aan bijen. Van zodra een kind over bijen leert zijn die allemaal “Maja de bij”...

(Noot: ouders merken vaak het effect op van deze vraag wanneer hun kind plots uitroept “papa (of mama) is mijn favoriet!” Plots wordt het duidelijk... Een kind hoeft écht niet te kiezen)

 

4. “Ik kan dat niet”

Alternatief: “Ik teken graag een poes/trein/giraf... voor jou!”

Waarom? Mijn dochter vraagt me weleens een trein te tekenen of een poes of een giraf of een auto. Ik doe het gewoon altijd, zoals ik op dat moment de inspiratie vind om al die dingen te tekenen. Zeggen “ik kan dat niet” (en toegegeven, vaak hebben we eigenlijk gewoon geen zin om te tekenen) zal heel snel gekopieerd worden. Het is allicht onnodig te vertellen hoe veel kinderen (én volwassenen) niet durven exploreren met tekenen, omdat ze angstig zijn dat het resultaat niet mooi zal zijn. We hebben hen niet getoond dat tekenen een proces is, dat je kan tekenen voor het plezier, en ook dat het reuzeleuk is om te zien hoe je tekeningen en tekenkunst evolueren. Heb je gewoon geen zin om te tekenen, kan je het ook gewoon zo zeggen. Je kind begint nog maar net aan de exploratie, moedig die aan!

 

5. “Zo'n mooie trui/tekening/ ...”

Alternatief: “Ik vind de trui die je aan hebt mooi” “Wat inspireerde jou om dit te tekenen?”

Waarom? “Zo'n mooie trui!” Dé openingszin die we gebruiken wanneer we – laat ons eerlijk zijn - meisjes zien. Of, hoe een straaltje van de druk die we op meisjes leggen om “mooi” te zijn doorsijpelt naar de allerkleinsten onder ons. “Zo'n mooie tekening” antwoorden we snel wanneer onze peuter vol enthousiasme naar ons toerent met een tekening. Maar wilt een peuter eigenlijk wel gewoon horen of deze al dan niet “mooi” is? “Het is mooi” blokt vaak de echte interactie af waar kinderen op dat moment naar op zoek zijn. Een kind wilt vaak “de tekening delen” en de hele ervaring de tekening te maken. Een kind wilt vreugde delen. Vaak kijken we niet eens echt naar de tekening wanneer we er een “wat mooi!” uitgooien. We zijn verward, afwezig. Dat leidt vaak tot boosheid bij kinderen, ondanks onze ogenschijnlijke goedkeuring van de tekening zélf.

Het kan leuk zijn om een tekening samen met je kind te bekijken; om je kind tijd te geven wanneer hij of zij komt aanrennen met een tekening. Wat ging er om in je kind wanneer hij of zij de tekening maakte? Ga in gesprek, en start daarbij van het plezier dat je kind heeft beleeft bij het tekenen. Ga verder vanuit de beleving samen te zijn. Je kind wilt immers delen, dit moment met jou beleven. Een snelle “beloning” geeft aan de wens van het kind om even “samen te zijn”, om te delen, slechts een lauw afkooksel. Het wij-moment is louter een “goedkeuring”. Omdat het kind wij-momenten meer wil beleven, zal het meer en meer afhankelijk worden van die goedkeuring en deze nodig hebben om zich goed te voelen.

Prikkel het gevoel voor nuancering in je kind en moedig hem of haar aan om zelf een mening op te bouwen over de tekening. Wil je als ouder ook een waardeoordeel uitspreken, praat dan vanuit jezelf: tekeningen mooi vinden is subjecief. Door te zeggen dat jij iets mooi of niet mooi vindt leert je kind dat smaken eigen zijn aan een persoon, en dus kunnen verschillen. Dit heeft een groot voordeel: wanneer iemand hem later zegt de tekening van je kind niet mooi te vinden zal je kind het kunnen aanvaarden als een mening, niet als een “waarheid” over de tekening. Hij zal kunnen zeggen “Jos vond mijn tekening niet mooi” eerder dan “mijn tekening is niet mooi; ik kan niet tekenen”.

 

Of, hoe kleine dingen een wereld van verschil maken... Voor het kind dat associaties over de wereld aan het leren is, kan je dit heel letterlijk nemen.

Wat hebben al deze zinnen die ik liever vermijd nu gemeenschappelijk? Wel, het zijn dooddoeners... Het zijn snelle zinnen die we eruit gooien wanneer we een kind zien, waarmee we toenadering zoeken tot kinderen. Helaas sluiten we met die snelle zinnen de kans om écht contact te maken vaak ook meteen uit.

 

Het alternatief?

Duik in de ervaringswereld van je kind, bekijk de wereld vanuit zijn of haar perspectief. Stel vragen, breng nuance. Je kind is daar al mee bezig, dus het gaat er gewoon om hem of haar niet telkens de kans te ontnemen om deze zoektocht naar nuance uit te drukken. Dan gaat die – helaas – verloren. Neem de tijd om te luisteren en samen te onderzoeken.

 

Mooi meegenomen voor jou?

Wanneer je de alternatieve interacties frequent gaat toepassen, zal je zelf meer “eigenaarschap” in je leven ervaren, en dat geeft een razend fijn gevoel! Je zal een diepere band opbouwen met je kind en dit heeft een effect op alle dagelijkse interacties. Vaak vermindert “strijd” in het gezin aanzienlijk. En, wees klaar om versteld te staan van je kind en de genuanceerde betekenissen die hij of zij vanop jonge leeftijd kan vatten.

 

Maar?

Je kind leert natuurlijk ook heel wat uit de interacties met de bredere omgeving: van vriendjes op school, in de crèche, van andere volwassenen, ... Het kan dus zijn dat je kind tòch gewend geraakt is aan antwoorden zoals “dat is mooi!” of nu zelf ook écht een favoriet wilt kiezen. Hoe je daarmee omgaat lees je in een volgende blog. Of kom eens langs!